We waren aan het fietsen over een klein landweggetje, toen we een kleuter op een driewieler voor ons zagen. Het zette zijn fietsje in de berm en liep het weiland in, waar het lekker ging zitten spelen. We fietsten nog even door, maar toen zagen we tot onze schrik dat er een bult slangen lag te krioelen, direct achter het jongetje.

We stopten en liepen er snel op af, maar het kind was verdwenen. Even later was het er echter weer en we besloten het mee naar huis te nemen, omdat het alleen was. Het kwam bij ons wonen.

Al snel bleek dat er wat raars aan de hand was met de kleuter. Deze lichtte af en toe op. Als een soort lamp. Ook in het weiland zagen wij soms iets oplichten. We dachten dat het een goede geest was, die tussen hemel en aarde zweefde.

Een tijdje later viel op dat we steeds vaker puntjes in het weiland zagen oplichten. Eerst 3 op een rijtje en nadat we het kind hadden gevonden, waren het er 4.

Alles ging goed. We namen wat afstand van het kind als het oplichtte, maar zo langzamerhand werden we toch nieuwsgierig naar of we het dan konden aanraken. We probeerden het voorzichtig en voelden daarbij tintelingen door ons lichaam stromen.

Een lange tijd later, sloeg alles om. Hij werd gevaarlijk en er ontstond een wat gespannen situatie. Hij leek in een soort van transitie te zitten, van lichaam naar geest. Daarna verdween het lichaam en ging de geest overal in huizen. Ook in kussens of lapjes. Zo was er de periode dat het in 3 lapjes tegelijkertijd zat. Die zweefden toen voortdurend, synchroon aan elkaar, door het huis. Het begon te spoken. Ook het aanraken bij oplichten werd gevaarlijk. Uiteindelijk pakte ik het beet toen het in een kussen huisde. Ik omhelsde het, zei dat het zo niet meer kon en vroeg het te vertrekken. Daarop verdween het.

Sindsdien zagen wij ’s avonds, in het schemerende weiland, telkens 4 puntjes bij elkaar, zachtjes oplichten. Overdag waren er soms die subtiele verstrooiingen, van ’t zonlicht op ’t gras. De spelende kleuter. Het gaf ons het gevoel dat het goed was.

Heel veel later kwam hij weer terug in ons leven. In de vorm van een onzichtbare geest, die af en toe oplichtte. Hij leek zijn rust te hebben gevonden en hield steeds afstand, maar liet – door oplichten – af en toe weten dat hij er was. ’t Voelde liefdevol. De arm om de schouder.

We waren oud en stonden bij een begrafenis. Bovenop de heuvel zag ik zijn licht en ’t voelde warmer nog, warmer nog dan voorheen.

Ik droomde dat ik het gajes van Leeuwarden was. Ik kon mij nergens meer vertonen. Uiteindelijk, na een zoveelste rel in een café, kwam er een vogel op mijn schouder gevlogen. Deze pikte iets uit mijn hoofd. Bij de rechter slaap. Het bleek om een chip in de vorm van een visje te gaan. Maar de vogel plaatste ook een chip terug. Daarop bleek allesomvattende informatie over mijn familiegeschiedenis te staan. Het voelde als ware het een beloning voor mijn verdiensten op dat gebied.

Fascinerend om te zien hoe deze droom mijn leven weerspiegelt. Ik ben niet de best begrepen figuur. In welke kring dan ook.

En de vogel?

Die bezocht mij in de zomer van 2012. In de vorm van een cruciale spirituele ervaring. Ik liep over een begraafplaats en kreeg het antwoord op het raadsel der raadsels in mijn hoofd gelegd.

De andere kant van de poort. Ik kan ze soms bijna horen fluisteren.

Ik droomde vannacht dat ik een vriend bezocht. Hij was getrouwd en had een dochtertje. Zijn vrouw was niet thuis en hij organiseerde een feestje.

Ik kwam aan in het donker. Hij was nog een beetje aan het hobbyen in zijn werkplaats. Het ging er bijzonder gemoedelijk aan toe. Iedereen was ontspannen, er werd heel weinig gesproken en iedereen ging volmaakt zijn eigen gang. Er hing een kalme sfeer van geluk in de lucht.

Mijn vriend ging door met wat hij aan het doen was, lachte af en toe wat en zijn hond liep stilletjes tussen de bedrijvigheden door. Ik begon wat op te ruimen. Ik legde wat smerige, over elkaar liggende vloerplaten recht en veegde dezen schoon. De omgeving werd slechts verlicht door een schaars lampje en wat schijnsel van de maan.

Na verloop van tijd gingen we naar binnen. We gingen niet bij elkaar zitten, maar deden precies wat we op dat moment zelf wilden doen. Mijn vriend zat aan een tafel met zo’n ouderwets tafelkleed, samen met zijn dochtertje. Ook hier was het bijna donker, maar in het schijnsel van een klein lampje bij de tafel zagen wij elkaar goed. Ik ging er ook bij zitten en het voelde volmaakt vertrouwd. We spraken slechts af en toe een paar woorden. Er werd geglimlacht; we begrepen elkaar zonder woorden. We spraken alleen omdat we vonden dat er toch wat gepraat moest worden. We lachten om ons vroegere biergebruik. Nu werd er niks gedronken.

Later vond ik mijzelf elders in zijn huis. Er was zoveel vertrouwen dat we ook van elkaars aanwezigheid genoten als wij niet in dezelfde ruimte waren. Na een tijdje wat rondgedoold te hebben in het huis, sliep ik korte tijd in een gangetje, waar een stromatras lag.

Weer wakker geworden vond ik mijn vriend slapende, met zijn hoofd op zijn handen op de tafel. Ik liep de kamer weer uit en kwam uit in een soort bioscoopje. Ik nam plaats. Zijn dochtertje kwam ook even bij mij zitten en wij keken samen een voetbalwedstrijd. Wat bleek is dat een van de voetballers een totaal onverantwoordelijk spel speelde. Omdat dit zeer opzienbarend was werden er steeds ingelaste commentaren van Hiddink en van Gaal uitgezonden. Zij vertelden dat zij nog nooit eerder zoiets hadden gezien en probeerden de tactiek van hun collega koortsachtig te analyseren. Achteraf bleek dat de man het zichzelf opzettelijk moeilijk had willen maken.

Na een tijdje had ik het wel gezien en ik verliet het bioscoopje. Ik kwam uit in een halletje, opende een dubbele klapdeur en zag een lange, brede gang voor mij. Toevallig stond daar vooraan een rolstoel. Ik nam plaats en duwde mijzelf achterwaarts, richting de hoofdingang. ’t Leek vanzelf te gaan en ik zag het beeld met de wedstrijd steeds kleiner worden.

De deur uitlopende vond ik mijzelf in een soort binnentuin. Zo’n typische stadstuin met groen en wat rommel. Het was inmiddels licht geworden en ik ging naar huis. Daar aangekomen besloot ik om niet meer naar bed te gaan.

Het was een onbeschrijfelijk gelukkige nacht geweest.

Sfeerplaatje...