Teneer

De atmosfeer broeit en er is niets dan de directe omgeving en mijn slaperigheid dat mij nog boeit. Ik hoor het gerommel in de onrustige luchtlagen. Uitstervende leefgeluiden uit de verte en een laatste koe die van zich laat horen. De zwaartekracht lijkt opgeschroefd en alles wat leeft lijkt er van doordrongen. Ik leg mijzelf te ruste in ’t lange gras. Koesterend het verlangen, dat het voor eeuwig is.